Opgroeien in armoede.

Opgroeien in armoede heeft nadelige gevolgen, op korte en langere termijn. Bij jongere kinderen zijn de gevolgen het grootst, omdat kinderen dan het meest kwetsbaar zijn en afhankelijker van hun ouders en een stimulerende thuissituatie. Tegelijkertijd zijn jonge kinderen (tot en met 12 jaar) in Nederland de leeftijdsgroep met de grootste kans op armoede (SCP 2016).

Armoede belemmert de ontwikkelingskansen

Opgroeien in armoede heeft gevolgen op alle leefgebieden. Om te beginnen zijn er materiële gevolgen, zoals onvoldoende toegang tot dagelijkse levensbehoeften (gezond eten, kleding, e.a.) en adequate, stabiele huisvesting. Vervolgens zijn er sociale gevolgen: kinderen in armoede hebben minder mogelijkheden om mee te doen. Arm zijn maakt het lastiger een verjaarsdagfeestje te geven, op vakantie te gaan, lid te worden van een (sport)vereniging of mensen thuis uit te nodigen. Daar komt bij dat kinderen en jongeren in armoede vaker wonen in zwakke buurten met meer ongeregeldheden, onveiligheid, minder groen en minder faciliteiten voor kinderen en jongeren. Ook hebben ze een grotere kans dat hun ouders met problemen kampen en veel stress hebben en (daardoor) minder aandacht kunnen geven aan de opvoeding en ondersteuning van hun kinderen. Geen wonder dus dat kinderen en jongeren in armoede vaker verdriet, schaamte, onzekerheid, gezondheidsproblemen en stress ervaren. Dit alles vormt een belemmering voor hun ontwikkelingskansen.

Opgroeien in armoede heeft zowel op korte als op langere termijn nadelige gevolgen. Kort samengevat gaat het om:

  • korte termijn: minder welbevinden en meer sociale uitsluiting;
  • middellange termijn: slechtere schoolprestaties en probleemgedrag;
  • lange termijn: verhoogde kans op armoede en sociale uitsluiting als volwassene (SER 2017).

Hoe het beter kan

De Kinderombudsman geeft in het rapport ‘alle kinderen kansrijk’ (dec 2017) adviezen over het verbeteren van de ontwikkelingskansen van kinderen en jongeren in armoede. Op grond van bestaand en nieuw eigen onderzoek concludeert de Kinderombudsman dat het huidige armoedebeleid tekortschiet. Het belangrijkste verbeterpunt is:

  • een samenhangende aanpak die zich richt op de hele leefomgeving van kinderen en jongeren, te beginnen bij het verbeteren van de onzekere en instabiele thuissituatie. (Het huidige beleid is volgens de Kinderombudsman te eenzijdig gericht op het verbeteren van het leven van kinderen buitenshuis).

Aanbevelingen van de Kinderombudsman:

  • Maak met ieder gezin in armoede een perspectiefplan om meer stabiliteit te brengen en het toekomstperspectief van alle gezinsleden te verbeteren.
  • Pas meer maatwerk toe in het (gemeentelijk) beleid.
  • Vraag aan kinderen en jongeren zelf wat zij nodig hebben en hoe voorzieningen beter kunnen.
  • Verbeter de financiële positie van ouders en voorkom schulden.
  • Zorg dat gezinnen goede huisvesting hebben voor langere tijd.
  • Investeer in empowerment van ouders en van kinderen en jongeren.
  • Versterk de rol van scholen in de aanpak van armoedeproblematiek.
  • Investeer in de kwaliteit van buurten en buurtvoorzieningen.
  • Verbeter het systeem van kindvoorzieningen en verklein de verschillen tussen gemeenten.

Ook de Sociaal Economische Raad (SER) heeft advies uitgebracht over ‘opgroeien zonder armoede’ (mrt 2017), in de eerste plaats gericht aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De aanbevelingen van de SER liggen deels dichtbij die van de Kinderombudsman, zoals een grotere rol voor scholen, (mogelijk maken van) meer maatwerk, betere (uitvoering van) regelingen en instrumenten voor inkomensondersteuning/schuldhulp, minimumeisen aan gemeenten (Kindpakket) en betrekken van kinderen en jongeren bij gemeentelijk beleid.

Andere belangrijke aanbevelingen:

  • Zet in op het werkelijk verminderen van het aantal arme kinderen en verbind daar een concrete ambitie aan.
  • Focus niet alleen op korte-termijn maatregelen, maar neem structurele oorzaken van armoede weg en realiseer gelijke kansen voor kinderen.
  • Beschouw ‘werk’ als primaire structurele oplossing en zet in op ‘werk moet lonen’ (meer banen, voldoende uren, voldoende inkomen, inkomenszekerheid). Richt ondersteuning meer op werkende minima.
  • Vergroot de effectiviteit van beleid en instrumenten, door o.m. toepassing van gedragswetenschappelijke inzichten (psychologie van de schaarste, stress, meer belonen, minder straffen/beboeten), betere voorlichting, minder versnippering, monitoring van innovaties, aanstelling van een armoederegisseur en (externe) beoordeling van de effectiviteit van het beleid.
  • Voorkom dat arme kinderen tussen wal en schip vallen als hun ouders geen aanspraak kunnen maken op sociale voorzieningen.
  • Richt het armoedebeleid zo in dat kinderen (en hun ouders) snel geholpen kunnen worden.
  • Zet in op preventie van armoede en schulden, vroegsignalering bij schulden en het voorkomen van terugvallen (met financiële educatie en coaching)
  • Werk samen en maak goede afspraken: landelijk en lokaal; gemeenten en ouders, onderwijs en maatschappelijk middenveld, werkgevers. Spreek schuldeisers aan op hun medeverantwoordelijkheid.

Meer informatie